Hoofdmenu
    Hoofdpagina
    Gedichten
    Auteurs
    Zoeken
    Reacties
    Insturen
    Voorwaarden
    Greencard
    Contact

  Inloggen
 

  Registreren
  Wachtwoord vergeten

  Laatste 35 reacties
 
re: WeetjeDiddy
re: Dienstma...Diddy
re: Dienstma...Marcel
re: uilegDiddy
re: Kon ik a...Marcel
DiddyDiotheC...
re: Kon ik a...Diddy
re: Blind ge...Diddy
re: Blind ge...Diddy
re: uilegDiddy
re: uilegDiddy
re: uilegDiddy
MarcelDiotheC...
dioMarcel
DiddyDiotheC...
re: ik ben doodDiddy
re: Witgepoe...Diddy
re: me too (...Diddy
re: Eerste s...Diddy
re: Marcel e...milou
re: me too (...Erik Le...
re: pure lie...Diddy
re: uilegDiddy
re: uilegDiotheC...
re: uilegDiddy
re: uilegMarcel
re: Een blij...coolbur...
re: Poes Alm...Diddy
re: Poes Alm...Diddy
re: Poes Alm...DiotheC...
re: Poes Alm...Marcel
re: Een blij...Diddy
re: Een blij...Marcel
re: Poes Alm...Diddy
re: Een blij...Henk Gruys
 Meer reacties

  Laatste 25 gedichten
 
Dienstmaagd ...DiotheC...
Witgepoederd milou
me too (Droo...Erik Le...
Blind getrou...Claudel...
uilegDiotheC...
Poes AlmachtigDiddy
De behangerHanny v...
Zalig kerstb...coolbur...
Een blijde b...coolbur...
luiken dichtDiddy
DroomdichtMarcel
Eerste sneeuwmilou
loeneErik Le...
De vermoorde...Claudel...
vruchteloosDiotheC...
over de volg...Erik Le...
Tussen mensencoolbur...
In bewerkingDiddy
Kijk niet zocoolbur...
geluktDiddy
ROMEErik Le...
Le Clo-cloch...Claudel...
koortsDiddy
profetieDiddy
Zonnige tochtDiddy
 Meer gedichten
Een Ongeluk - slot
 Henk Gruys - 10:45 15-06-2015 Stuur e-mail  Profiel bekijken van Henk Gruys  Bekijk statistieken van dit gedicht 

Een Ongeluk - slot


We hotsen voort. Verstrooid luister ik naar het ronken. Ik merk na een tijdje, zoals vaker, dat daar een soort muziek in zit. Ook nu weer is het of er een lied in het motorgeluid verborgen is. Niet echt, maar je kunt het je bedenken. Het heeft de ritmiek van een refrein, en gezongen door een vrouwenkoor. Opwekkend klinkt het in geen geval; niet alleen door de tekst, maar ook door de troosteloze melodie. Het gaat in een dalende muzikale toonladder als: Alles ist verloren, verloren... und alles ist vorbei... Het komt me vaag bekend voor, en ik vraag me af hoe dat kan.
    De trekker rijdt maar eigenzinnig verder; hij heeft iets van een plomp insekt met een groene kop en de ovale oogjes naar voren gericht. In zijn geslotenheid vertoont hij iets oneerbaars, iets onzedelijks bijna.
    Mistig wordt het landschap. Op het dak van de machine gaat een schijnwerper aan. Maar het is rook. We worden omgeven door de dikke schroeilucht van verbrande bladeren. Twee mannen in overalls zijn takken en afval aan het verbranden, waarvan de blauwige smook in vlagen neerslaat en verder trekt. Ik overweeg uit de bak te klimmen om ze aan te spreken over mijn ongeluk, maar zie er vanaf omdat ik binnen afzienbare tijd toch het dorp bereikt zal hebben.
    Niet een keer worden we door andere auto's ingehaald.

We komen in de eerste straten. Ik spring meteen van de bak. De ronkende trekker rijdt door, gaat een hoek om en is verdwenen. De pijn in mijn knie komt weer opzetten, verergerd door de hotsende rit in de aanhanger.
    Terwijl ik het dorp in loop, laten de raadselachtige dingen die mij zijn overkomen mij geen ogenblik los. Ik kan op geen enkele wijze een verklaring vinden voor de vreemde suggesties die ik na het ongeluk onderga, en langzamerhand begint mij dat te verontrusten. In het dorp hoop ik met dit soort dingen niet te maken te krijgen. – Terwijl ik de eerste hoek omsla kijk ik argwanend om mij heen.
    Maar alles lijkt vertrouwd; ik zie de kerk en het kerksplein zoals altijd – dat is juist de richting die ik in moet. Godzijdank. Wel valt het op dat er betrekkelijk weinig mensen op straat zijn; ook hier.
    – Dertien over half een op mijn horloge. Maar als ik goed kijk, zie ik dat het stilstaat. Kapot geraakt door de klap. Ook dat nog. – In dat geval kan het precieze tijdstip van het ongeluk dertien over half één zijn geweest... Dat zou wel eens kunnen kloppen... Maar hoe laat het nu werkelijk...? Ik kijk op de torenklok; die staat op tien over vier. – Als dat juist is, zou het betekenen dat ik drieënhalf uur onderweg ben geweest... Dat bestaat niet. – Die klok loopt dus ook niet, dat zie je wel vaker bij kerkklokken, zeg ik bij mijzelf.
    Maar ik wil geen tijd meer verliezen en zo gauw mogelijk bij mijn vriendin zijn. Daar kan ik bellen en het nodige regelen. – Zij zal hevig schrikken als ze mijn verhaal hoort... Ontdaan zijn. Daar moet ik mij op voorbereiden.

Maar even later ben ik van de normale gang van zaken niet meer zo overtuigd. Ik kan zweren dat er met de straten iets eigenaardigs aan de hand is, in de atmosfeer, de geuren of de lichtval, zonder dat ik kan bepalen wat dat precies is. –
    Zodra ik de kerk gepasseerd ben en de hoek naar haar huis omsla, weet ik het zeker. Het café aan het begin van de straat waar we 's avonds altijd naartoe gaan als we genoeg van het organiseren en voorbereiden hadden, ziet er anders uit. In het café is alles donker. De vitrages zijn gesloten. Het okerkleurig bordje boven de veel te grote ramen, waar altijd met bruine letters stond: Jantje Slofbras' Eetcafé – is weg. Gisteren was alles nog bij het oude, – hoe kan dit zo gauw veranderen? Op een karton achter het raam lees ik in schrijfletters:
    "Niemand weet hoe het morgen zal zijn"

Ik kom nerveus en onzeker bij het huis aan. Gelukkig is daar niets afwijkends te bespeuren; het boogvenster boven de deur, met zijn gouden gegolfde spijlen die de stralen van een ondergaande zon verbeelden, geeft iets vertrouwds. Mijn sleutel past ook gewoon in het slot, en ik duw de deur open.
    De rooklucht die buiten was, hangt ook binnen, maar zwakker. Misschien meegenomen in mijn kleren. Ik wil doorlopen naar de huiskamer, maar na een paar passen meen ik, wantrouwend als ik inmiddels ben geworden, iets te horen dat op zuchten lijkt. Met bonzend hart opende ik een van de gangdeuren en kijk om de hoek. – Maar ik zie alleen de gewone, gemeubileerde zijkamer aan de straatzijde en niets bijzonders.
    Maar wáár is zij? Heeft zij me niet horen aankomen? Is zij op bed in slaap gevallen? Of heeft zij het huis verlaten omdat ik maar niet kwam opdagen?
    Bij het lopen door de benedengang en het bestijgen van de trappen bekruipt mij weer dat gevoel van onbehagen. Het vreemde idee dat in het huis andere mensen zijn gaan wonen...
    Ik word ongeduldig en betreed zonder terughouding de slaapkamer. Daar posteer ik me direct bij het bed aan het voeteneind. De lamp in de kamer brandt, hoewel het nog niet donker is.
    Kari is er niet.
    Terwijl ik naast het bed sta te twijfelen en niet weet wat te doen, voel ik ineens iets als een zachte aanraking. Of iemand zich helemaal tegen mij aan wil vlijen, met poezelige aanhaligheid... Maar ik zie niemand.
    Ik wil me omdraaien, als ik de deur open hoor gaan, en Kari de kamer binnenkomt. Het geeft een wonderbaarlijke schok van opluchting. Ik wil verheugd op haar toelopen, – als ik zie dat zij het helemaal niet is. De vrouw heeft wel Kari's kleren aan, maar zij is ouder, misschien vijftig.

– Het is Kari's moeder. Ze kijkt mij aan met een blik of mijn aanwezigheid hier misplaatst is. Achter haar zit een oude man met wit haar in een rolstoel. Haar vader. Ik herinner mij niet dat haar vader hulpbehoevend was... wat is er gebeurd? Ik raak door de verschijning van de twee nogal in verwarring.
    "Ben je daar eindelijk?" vraagt de moeder direct, op een toon alsof zij geen enkele verontschuldiging zal accepteren. (Zij is Duitse van geboorte; maar al zo lang hier dat je dat nog nauwelijks kunt horen). Meteen kijkt zij immens treurig en wendt het hoofd af, of haar bedroefdheid niet slechts van het moment is.
    Met zijn rolstoel kan de vader niet verder komen dan de deurdrempel. Hij lijkt zeer kwaad; gromt en kijkt rond, mogelijk iets zoekend wat hij naar mijn hoofd kan gooien, wat door zijn bibberende handen en de plaid die half afgegleden over zijn knieën ligt, nogal belachelijk lijkt. De moeder kijkt mij aan en zegt: "Je was er niet. Al die tijd was je er niet. En nu is het te laat... alles is verloren... Kijk maar om je heen." Zij herhaalt nog "verloren".
    Ik ben verbluft en weet absoluut niet wat te zeggen. Hoe wonderlijk, dat zij hetzelfde woord gebruikt als ik in het lied van de tractor hoorde. Hoe kan zij dat weten?..
    Ik bedenk dat verloren, in het Duits net zo goed "verdwenen" kan betekenen. – Maar wat er dan verloren is weet ik niet. "Verloren?.. " vraag ik. "Waarom verloren?" – De moeder strijkt vermoeid met de hand over haar ogen, zwijgt en wendt zich af. Ik bezie met tegenzin de kleren die zij draagt, die oud zijn, versleten en slecht passend.
    Deze mensen beginnen mij hevig tegen te staan; eigenlijk heb ik ze nooit gemogen. En zij mij niet. Ze verwijten mij voortdurend niet goed met hun dochter om te gaan. Belachelijke beschuldigingen zonder enige grond zijn mijn deel. Ik draai mij om en kijk om dit verder te kunnen overwegen uit het raam. Het is donker weer; de hemel boven de straat is verscheurd als een morsige landkaart, met donkere en lichte flarden en driehoekige vanen van grijs.
    Zo schieten we niet op. Ik besluit iedere terughoudendheid te laten varen. – "En nú wil ik weten waar Kari is," roep ik terwijl ik een stap naar voren doe. Mijn knie doet zoveel pijn dat die de hardheid van mijn uitroep beïnvloedt. Ik schreeuw bijna met een vertrokken gezicht: "Waar is zij?! Waar is Kari?! Ik wil nu weten waar zij is. En wat ze heeft gezegd! Geef daar eens antwoord op!"
    Nu valt haar moeder vertoornd uit. Uit haar houding is af te lezen dat ze me liever een klap zou geven dan een antwoord. – Ineens gilt ze: "Zij is drie jaar geleden gestorven! Weet je dat dan niet meer?! Wat is er aan de hand met jou? Zij is dood immers, dood! Al lange tijd! – Houd op! Laat ons in godsnaam met rust!" De vader bonkt woest met zijn rolstoel tegen de deurstijl.
    Kari dood? Kari dood?..
    De moeder draait zich met een van afkeer vertrokken gezicht van mij af, en barst in snikken uit. Het moet waar zijn, ik weet het, ik voel het, het is zo. Dat was het dat overal in de lucht hing. Ik sla mijn handen voor mijn gezicht.
    De chaos in mijn gedachten is verschrikkelijk. Beelden van het ongeluk, de auto en daarna golven over mij heen. In mijn oren hoor ik tot gek wordens toe dat vrouwengezang galmen: "Alles ist verloren, verloren... Alles ist... verloren...Alles ist vorbei..."

Als ik eindelijk mijn handen laat zakken zie ik de moeder niet meer. Zij is weggevlucht en heeft de vader meegevoerd.
    Hun aanwezigheid lijkt als verdampt. De deur naar de bovengang hebben ze open gelaten.

Reactie insturen
Graag eerst...

Inloggen of Registreren

De gedichten die ingezonden zijn op de website van de lettertempel en e.v.t. toekomst projecten die gekoppeld zijn aan de lettertempel blijven ten alle tijden eigendom van de feitelijke auteur van het gedicht. Zonder toestemming van de feitelijk auteur mogen de gedichten niet gebruikt worden voor andere doeleinden dan lezen op deze site en indien hier toestemming voor gegeven is door de feitelijke auteur het uitgeven van de gedichten door lettertempel zelf. Mocht er sprake zijn van misbruik van de content en de gedichten die gepubliceerd zijn op deze site door wat dan ook dan zullen er hoe dan ook (in samenspraak met de auteur) stappen worden ondernomen.
2006-2017 © Bizway - BTW nr. NL821748014.B01 - KvK 28086287