Hoofdmenu
    Hoofdpagina
    Gedichten
    Auteurs
    Zoeken
    Reacties
    Insturen
    Voorwaarden
    Greencard
    Contact

  Inloggen
 

  Registreren
  Wachtwoord vergeten

  Laatste 35 reacties
 
re: me too (...Erik Le...
re: pure lie...Diddy
re: uilegDiddy
re: uilegDiotheC...
re: uilegDiddy
re: uilegMarcel
re: Een blij...coolbur...
re: Poes Alm...Diddy
re: Poes Alm...Diddy
re: Poes Alm...DiotheC...
re: Poes Alm...Marcel
re: Een blij...Diddy
re: Een blij...Marcel
re: Poes Alm...Diddy
re: Een blij...Henk Gruys
re: Zalig ke...Marcel
re: De behangerMarcel
re: Poes Alm...Marcel
re: De behangerwijnand
re: De behangercoolbur...
re: De behangerDiddy
re: Een blij...Diddy
re: Een blij...coolbur...
re: Een blij...Henk Gruys
re: vruchteloosDiotheC...
re: Zalig ke...Hanny v...
re: Kerst An...Hanny v...
re: Zalig ke...DiotheC...
re: warme ke...thomas ...
re: vruchteloosHanny v...
re: Een blij...Diddy
re: Een blij...Diddy
re: Een blij...coolbur...
re: Een blij...Diddy
re: luiken d...Diddy
 Meer reacties

  Laatste 25 gedichten
 
me too (Droo...Erik Le...
Blind getrou...Claudel...
uilegDiotheC...
Poes AlmachtigDiddy
De behangerHanny v...
Zalig kerstb...coolbur...
Een blijde b...coolbur...
luiken dichtDiddy
DroomdichtMarcel
Eerste sneeuwmilou
loeneErik Le...
De vermoorde...Claudel...
vruchteloosDiotheC...
over de volg...Erik Le...
Tussen mensencoolbur...
In bewerkingDiddy
Kijk niet zocoolbur...
geluktDiddy
ROMEErik Le...
Le Clo-cloch...Claudel...
koortsDiddy
profetieDiddy
Zonnige tochtDiddy
Kerst Anno NuHanny v...
Les petits d...Claudel...
 Meer gedichten
Ontmoetingen
 Henk Gruys - 20:38 06-04-2014 Stuur e-mail  Profiel bekijken van Henk Gruys  Bekijk statistieken van dit gedicht 



           

Ontmoetingen - Afl 1 van 2.


Het is bijna ochtendschemering als ik het eindelijk wel eens wil weten. Het rumoert al uren in de Donkerbuurt. Voortdurende schandgesprekken die deinen als golflijnen op oorhoogte. Maar ik zie niemand.
    Er is geen hemel te bespeuren, alleen grauwzwarte ochtendsuggestie vanuit mijn raam. Wat is er gaande?
    Weinig of veel; het gaat om mijn neef begrijp ik dan. Hij is op wanhoopsvlucht, men zoekt hem in de schemerige velden alom, met vage vegen morgenschijnsel in natte goten en greppels. Hollende menigten overal; maar erger nog die voorbijflitsende kale koppen, vol verbeten haat, – in mijn verbeelding.

Een klopjacht van oorlogsomvang. Gealarmeerde burgercommando's die zich opschuilen in onverlichte holen. De minste regie ontbreekt, hun onderlinge discipline is ver te zoeken. Slechts primitieve impulsen, wraakzucht stuurt hen. – Een gigantische angst moet in hem losgewoeld zijn: een fundamentele reflex: te overleven. Dit is ook voor mij schokkend, omdat ik hem goed ken en hem eerder beschouw als vriend dan als familielid. Hij telt in jaren er even veel als ik.

Het gerucht loopt dat men hem op het spoor is. Ze zijn met velen; dat kan niet lang meer duren. Een ongelijke strijd, – en ondoenlijk voor hem te ontsnappen. Intens medelijden heb ik, al zijn zijn daden ook zeer afkeurenswaardig. Iets met kinderen. Daar houd ik mij verre van. Maar wat moet ik? Ik kan proberen de zieletaferelen van zijn denkwereld, diep verborgen, hoogstens te volgen. Uitsluitend te volgen, niet om te begrijpen of te vergoeilijken. Meer kan niet. Ik kan hem geen schuilhoek aanbieden. Op zijn gunstigst hem bijstaan, misschien misschien, in het ontrafelen van zijn misvormde gedachten, later misschien. Door al dit spokennieuws verkeer ik urenlang in de schemertoestand van twijfel en gelatenheid.
    Bij het ochtendgloren verneem ik dat hij is gepakt. Hopelijk zonder uitwassen van geweld. Het moet hem als een allesverscheurende ineenstorting van zijn leven zijn overkomen.
    Hij is door de politie amper op tijd ontzet.

Met de telefoon aan mijn rechteroor. Hem bellen deed ik regelmatig; meestal voor een practisch probleem vroeg ik raad; want hij weet van techniek en van alles. Maar ditmaal heeft hij – uitzonderlijk, gedreven door opperste wanhoop – mij gebeld.
    Mijn telefoon is in de gang. Hij klinkt tijdens het gesprek steeds geschokter, huilend, stotterend van zelfemotie en dierlijke angst. Zijn hoge stem is nauwelijks te verstaan en raakt mij tot in de ziel, aan deze koele kant van de draad. Ik zeg dat ik voor het eerst hoor van zijn gedrag. Dat ik géén vermoeden had. – Ik laat hem zijn emoties uiten. Maar wat heb ik hem per slot te bieden? Meeleven met zijn angsten is het ultieme dat ik kan doen. – De woorden die ik produceer zijn nog minder substantieel dan de draden van zwevend spinrag.
    Ik wil niet weten hoe erg het was vannacht... Een diepzwart gebeuren moet het zijn geweest... Ik hoor dat ze hem tot bloedens toe hebben afgeranseld. Aan alles merk ik hoe ook geestelijk verwond hij is geraakt door die razzia van onze o zo gerechtigde buurtbewoners.
    Ik sta op uit hurkzit om het gesprek te beëindigen en zeg nog dat ik zijn situatie heel goed begrijp. En dat ik hem zal bijstaan als hij dat nodig heeft. Maar dat hij beseft dat berouw en excuses maken bij lange na niet voldoende blijken te zijn. En tot slot: "Het wordt nooit meer als voorheen, nooit meer; stel je er op in, dat je levensloop vanaf nu onomkeerbaar is verkleurd."

Mijn moeder deelt mede dat zij hulp wil bieden, "want een eigen moeder heeft hij niet meer, de arme jongen." Een osmose van hulpvaardigheid moet in haar zijn losgelaten. Zij beweegt zich zinloos redenerend tegen de kamerachtergrond voor mij heen en weer; hoe te helpen weet zij niet echt. Uit frustratie en verdringingsschuld is dit ongeremd drukdoen, een ontlading zonder richtpunt. Doch ik weerspreek haar niet; ik wil haar niet preveniëren.
    Maar ik gun me geen tijd om mij met deze aan alle kanten uitgroeiende kwestie bezig te houden; ikzelf kan niets doen dan hem moed in te spreken, heb ik trouwens al gedaan – en mijn lieve vriendin wacht al uren buiten.
    – Tot zover het onvermijdelijke afscheid van mijn liefste neef. Zilvergeslepen, schoongepoetst, maar totaal kansloos.

            2.

De oude houten aanbouw van het treinstation is niet ruim, maar heeft aan drie zijden grote ramen met een laag uitzicht over het busplein; waar alles grijsachtig en benepen is en een doorschijnend waas hangt van de ochtend. Het molmig kozijnhout van de vensters lijkt te zijn gebarsten in de vergane sponningen.
    "We gaan op de fiets," zeg ik tegen mijn lieve vriendin. "Tenminste als je er klaar voor bent, goed? Zo was toch het plan? Gewoon, als altijd?"

We hebben een fikse rit voor de boeg, maar ik verheug me erop en voel mij energiek. Eindelijk af van de frustraties van vannacht. Geen ontaardende visioenen meer. Dus vooruit, over de smalle rechte baan, het fietspad met zilverige slakkesporen in de dunne sneeuw. Links de lage berm met warrig gras vol kale plekken, afgesloten door een dijkje, en daar weer achter de kleurloze velden naar de opgeschoven einder, ook enigszins oplopend. Nergens bomen, nergens.
    We rijden vanaf de helling en freeweelen de hoogte af naar een dalbestemming. Links liggen nog de lichte restanten van smeltend ijs, maar koud is het niet in het onbepaalde daglicht. De bebouwing rechts, aan de veldkant van de rijweg ligt heel ver, iets ingezakt als een siennarode lintlijn met mottige hiaten.
    Regelmatig komen we fietsgroepjes tegen; met het chroom en zwart email onder zich, – en passeren in vrolijke stemming. Alles op de grote versnelling, wat gaan we hard! Op de rijbaan naast ons heb ik nog niet één auto zien voorbijkomen, de hele tijd niet.
    Dan wordt duidelijk waarom. Nog ver weg, klein aan de horizon, komt een enorm keteltransport ons tegemoet; een roestbruine cilinderconstructie van misschien wel tien meter breed, die vastgesjord en ingebed is op een onzichtbare wagen, kruipt langzaam, langzaam voort.
    De voorbereidingen tot deze reuzeoperatie moeten al eerder zijn getroffen, want in de afgezakte berm links, steken vele vierkante betonkoppen op uit de half verwoeste verdronken bulten. Het is duidelijk dat afwachting hier ermee te maken heeft.
    We remmen. Ik ga nu eerst mijn fiets in veiligheid brengen, want direct wordt het een gigantische puinhoop, reken maar van yes. Ik ga hem op het hoogste punt van de brug neerzetten op de tegelrand waarlangs de blauwe leuningbuis loopt. Daar kan het geen kwaad meer. Ik negeer het axaslot en daal af – want zoiets vind ik nu juist zo orgineel.
    Mijn lieve vriendin houdt haar rijwiel liever onder zich; die keuze had ze al eerder gemaakt; zij zei het niet, maar zij is zwijgzaam van nature, in gevallen als deze vooral.
(Wordt vervolgd met nog 1 aflevering).


Reactie insturen
Graag eerst...

Inloggen of Registreren
re: Ontmoetingen
Reactie gegeven door evamaria - 23:45 25-12-2016 Stuur e-mail Profiel bekijken van voet
alom, reg. 7 kan dat niet beter na - hem - geplaatst?

het fietspad met zilverige slakkesporen in de dunne sneeuw.
- mooi.

Spannend verhaal


De gedichten die ingezonden zijn op de website van de lettertempel en e.v.t. toekomst projecten die gekoppeld zijn aan de lettertempel blijven ten alle tijden eigendom van de feitelijke auteur van het gedicht. Zonder toestemming van de feitelijk auteur mogen de gedichten niet gebruikt worden voor andere doeleinden dan lezen op deze site en indien hier toestemming voor gegeven is door de feitelijke auteur het uitgeven van de gedichten door lettertempel zelf. Mocht er sprake zijn van misbruik van de content en de gedichten die gepubliceerd zijn op deze site door wat dan ook dan zullen er hoe dan ook (in samenspraak met de auteur) stappen worden ondernomen.
2006-2017 © Bizway - BTW nr. NL821748014.B01 - KvK 28086287