Hoofdmenu
    Hoofdpagina
    Gedichten
    Auteurs
    Zoeken
    Reacties
    Insturen
    Voorwaarden
    Greencard
    Contact

  Inloggen
 

  Registreren
  Wachtwoord vergeten

  Laatste 35 reacties
 
re: Eerste s...Diddy
re: Marcel e...milou
re: me too (...Erik Le...
re: pure lie...Diddy
re: uilegDiddy
re: uilegDiotheC...
re: uilegDiddy
re: uilegMarcel
re: Een blij...coolbur...
re: Poes Alm...Diddy
re: Poes Alm...Diddy
re: Poes Alm...DiotheC...
re: Poes Alm...Marcel
re: Een blij...Diddy
re: Een blij...Marcel
re: Poes Alm...Diddy
re: Een blij...Henk Gruys
re: Zalig ke...Marcel
re: De behangerMarcel
re: Poes Alm...Marcel
re: De behangerwijnand
re: De behangercoolbur...
re: De behangerDiddy
re: Een blij...Diddy
re: Een blij...coolbur...
re: Een blij...Henk Gruys
re: vruchteloosDiotheC...
re: Zalig ke...Hanny v...
re: Kerst An...Hanny v...
re: Zalig ke...DiotheC...
re: warme ke...thomas ...
re: vruchteloosHanny v...
re: Een blij...Diddy
re: Een blij...Diddy
re: Een blij...coolbur...
 Meer reacties

  Laatste 25 gedichten
 
Witgepoederd milou
me too (Droo...Erik Le...
Blind getrou...Claudel...
uilegDiotheC...
Poes AlmachtigDiddy
De behangerHanny v...
Zalig kerstb...coolbur...
Een blijde b...coolbur...
luiken dichtDiddy
DroomdichtMarcel
Eerste sneeuwmilou
loeneErik Le...
De vermoorde...Claudel...
vruchteloosDiotheC...
over de volg...Erik Le...
Tussen mensencoolbur...
In bewerkingDiddy
Kijk niet zocoolbur...
geluktDiddy
ROMEErik Le...
Le Clo-cloch...Claudel...
koortsDiddy
profetieDiddy
Zonnige tochtDiddy
Kerst Anno NuHanny v...
 Meer gedichten
Déjà vu - Afl. 1 van 3
 Henk Gruys - 10:34 30-05-2015 Stuur e-mail  Profiel bekijken van Henk Gruys  Bekijk statistieken van dit gedicht 

Déjà vu


Ik liep op een veemkade, met rechts hoge panden van roodachtige baksteen, gebouwen die van negentiende-eeuwse afkomst leken en in vrijstaande bastions verdeeld waren. Het was vroege ochtend, en langs de oude muren zag ik de guirlandes van de sterretjes en maantjes die waren blijven branden van toen het nog donker was.
    Ik hield de blik gericht op de weg, want aan het grondige, zwarte water links, ongewis van diepte, was niets te beleven.
    Houten ophaalbruggen van vaal groen met ijzeren stangen onderbraken af en toe de route; dan helde even het keienpad omhoog en rommelden onder mijn voeten de grof houten balken, en onder het brugdek hoekte een slootje af naar de vemen om daar onder een muur te verdwijnen. Steeds had ik de gedachte dat ik hier een vorige keer ook was geweest, met die pakhuizen en de ondoorgrondelijke watergang erlangs, maar ik kon er geen logisch vervolg aan verbinden.
    Mijn intentie dwaalde terug naar mijn vriendin de fotografe, die om dit uur waarschijnlijk net uit bed kwam. Haar in de war en hartstochtelijk gapend. Daardoor herinnerde ik mij gisteren; toen ik foto's voor haar moest ophalen, omdat ze zelf geen tijd had; foto's die iemand in Amsterdam-Noord, een vage vakgenoot, voor haar afgedrukt had.
    Vroeg in de morgen had ik mij daartoe naar de zuidelijke stadseinder begeven, voorbij het rijzige, onverlichte spoorstation; daarna fietste ik langs een groep onduidelijke bouwblokken, waartussen bleke weilanden schemerden, die oprezen en daalden, verdronken in kuilen en weer opliepen. Wat voelde ik mij op dit uur opgewekt! Euforisch kon je het haast noemen. Dat overvalt mij op de meest onverwachte momenten.
    Maar die fotograaf dus... ikzelf kende hem niet goed, – woonde in een monsterlijke woonflat, een van de vele, in de westelijke wijk. Van de gaanderij vijfhoog herinnerde ik mij slechts de bleke deuren, met langwerpige ruitjes erin. En dat hij mij niet had binnengelaten, maar staand aan de deur een platte, gele doos had overhandigd. –
    En thans liep ik op de kade en keek af en toe achter mij. Daar bevond zich de toegangspoort tot deze weg, in de gedaante van een open, driedelige soort triomfboog. Daar had ik ook mijn fiets achtergelaten; niet eens op slot, met de doos met elastieken achterop gebonden, zomaar. – Och, er kwam hier bijna nooit volk langs...
    De omgeving van de vemen werd allengs vuiler en slechter onderhouden. Ik passeerde een rij oude vaten, rechtop gezet aan de kant van de weg, verroest en verteerd – uit de gaten groeide gras. – Achteloos schopte ik er tegen, wat geen galm veroorzaakte. –
    Ooit zag ik toe hoe mijn vader van hout een regenton probeerde te maken. Het was in de vooravond, door het deurgat van de schuur straalde een late, warme zon naar binnen. Mijn vader trok de duigen over van een tekening op kreukelig perkamentpapier dat hij onder enige stukken hout, om het strak te krijgen, op zijn werkbank had uitgespreid.
    Maar hij werkte niet nauwkeurig; tussen de duigen bleven zulke kieren over dat ik er het avondlicht doorheen zag vallen in dunne oranje reten. Op deze manier zou het vat geen water kunnen vasthouden en alleen maar dienen als loos ornament. Of om er geraniums in te planten door mijn moeder. "Het valt allemaal niet mee," zuchtte hij, terwijl hij met een dik potlood een nieuw vatenonderdeel probeerde over te tekenen. –
    De gebouwen in het jonge morgenlicht straalden iets onbenoembaar optimistisch uit. Maar waarom?.. Ik had geen idee... Mogelijk had ik over zoiets gedroomd?..
    Aldus leek de omgeving weinig overeenkomst te bieden met de eindbestemming zoals ik die had opgekregen. Maar hoe dan ook: ik naderde toch het einde van de tocht; de oever wijzigde zich; de veel bredere havenkom van de rivier waarnaar deze streek verdoopt is, had ik eenvoudig over te steken. Een dam liep ik op en stond tegenover een andere rij fabriekspanden, die met hun variëteiten in rood, bruin en lila, majestueus oprezen in de ochtendzon. Hier ergens dus zou ik die foto's moeten afleveren, maar ik twijfelde of dit de juiste plaats was.
    Even verderop zag ik midden op de weg een duister figuur staan; de eerste mens die ik op mijn tocht ontmoette; geen wandelaar, maar een arbeider. Een kromme, aapachtige man. Hij droeg een wijde overall die nooit gewassen leek en hield een takkenbezem schuin voor de borst.
    Iedere vergelijking met een verkeersregelaar was uiteraard belachelijk; de straat vegen deed hij ook niet; hij fixeerde de blik strak op mij, duidelijk een houding die afkeuring uitdrukte over mijn aanwezigheid in zijn domein. Hij stak zijn bezem omhoog als een vaandel of wapen, toen ik naderde. Duidelijk genoeg het signaal: Tot Hier En Niet Verder.
    Verboden terrein?.. och ik deed niets verkeerds vond ik; ik was alleen maar wat verdwaald? Dat zou ik zeggen, als hij lastig werd. Geërgerd door het oponthoud was ik niet van plan om mij zomaar te laten wegsturen.
    Ik hield stil, benieuwd hoe het verder zou gaan. De man zag er slecht uit en stond nogal scheef op zijn benen. Ik was dichtbij genoeg om zijn naar schatting vijftigjarige hoofd waar te nemen, dat vaal grauw was, met diepe aardappelputten erin en oogranden die branderig ontstoken leken. Hij droop van zweet.
    Hij wekte de indruk dat hij iets van mij verwachtte, ten minste een excuus of een verklaring.
    "Heb je ze?" vroeg hij snauwerig. Hij leek opgejaagd en spiedde onophoudelijk om zich heen. "Je had wel eens eerder kunnen komen." Hij bleef mij argwanend opnemen alsof ik elk ogenblik een uitval naar hem zou willen doen.
    Geen idee wat hij bedoelde, – ging het over die afdrukken? Er stonden bij mijn weten alleen maar gebouwen op. Ze waren van het ministerie van Binnenlandse Zaken en mijn vriendin had ze in opdracht daarvan gemaakt.
    Ik begreep trouwens niet hoe hij überhaupt iets van die foto's kon weten. Ik besloot te doen of ik hem ter wille was; komt tijd, komt raad; hopelijk werd zo de vraag vanzelf beantwoord. Maar dat hij van het opgegeven adres was, leek onbestaanbaar.
    "Ik heb ze," zei ik; een antwoord dat mij passend voorkam.
    "Kom mee," zei hij kortaf; hij smeet zijn bezem op de straat en vatte mij in de houdgreep – wat ik eigenlijk niet wilde toelaten, maar ik was nieuwsgierig naar wat er zou gebeuren, en hield mij in.
    Het gebouw waar we op toeliepen onderscheidde zich door de halfronde torentjes op de vier hoeken en een bos korte, plompe fabrieksschoorstenen die opschoten achter een dak.
    – Toen ik klein was dacht ik altijd dat schoorstenen boosaardig naar mij grijnsden; pas later overwon ik dat. – Ach mijn kinderlijke fantasieën... waarom herinnerde ik mij dat? Ik moest mij niet zo laten afleiden door dingen van vroeger...
    We liepen onder hijskranen door, met zware, groene ijzeren bogen. Mijn bewaker bleef stuurs en wantrouwig voor zich uitkijken, of hij alles verdacht vond wat hij op zijn weg tegenkwam.
    Ik vroeg mij af of er een redelijke omgang met hem was te krijgen. Ik heb ik de ervaring dat zo'n onvriendelijkheid weinig te betekenen heeft; en dat zulke mopperaars achteraf heel geschikt blijken. Op school had je dat ook. Door de ongeduldigheid van de docenten en de barse houding van de directeur werd je, voor je gevoel althans, steeds tegengewerkt, gedwarsboomd in elke situatie. Maar op de examens was iedereen vriendelijk en leek men er alles aan te doen om je op je gemak te stellen voor het beste resultaat.
(Wordt vervolgd met nog twee afleveringen).


Reactie insturen
Graag eerst...

Inloggen of Registreren

De gedichten die ingezonden zijn op de website van de lettertempel en e.v.t. toekomst projecten die gekoppeld zijn aan de lettertempel blijven ten alle tijden eigendom van de feitelijke auteur van het gedicht. Zonder toestemming van de feitelijk auteur mogen de gedichten niet gebruikt worden voor andere doeleinden dan lezen op deze site en indien hier toestemming voor gegeven is door de feitelijke auteur het uitgeven van de gedichten door lettertempel zelf. Mocht er sprake zijn van misbruik van de content en de gedichten die gepubliceerd zijn op deze site door wat dan ook dan zullen er hoe dan ook (in samenspraak met de auteur) stappen worden ondernomen.
2006-2017 © Bizway - BTW nr. NL821748014.B01 - KvK 28086287