Hoofdmenu
    Hoofdpagina
    Gedichten
    Auteurs
    Zoeken
    Reacties
    Insturen
    Voorwaarden
    Greencard
    Contact

  Inloggen
 

  Registreren
  Wachtwoord vergeten

  Laatste 35 reacties
 
re: Eerste s...Diddy
re: Marcel e...milou
re: me too (...Erik Le...
re: pure lie...Diddy
re: uilegDiddy
re: uilegDiotheC...
re: uilegDiddy
re: uilegMarcel
re: Een blij...coolbur...
re: Poes Alm...Diddy
re: Poes Alm...Diddy
re: Poes Alm...DiotheC...
re: Poes Alm...Marcel
re: Een blij...Diddy
re: Een blij...Marcel
re: Poes Alm...Diddy
re: Een blij...Henk Gruys
re: Zalig ke...Marcel
re: De behangerMarcel
re: Poes Alm...Marcel
re: De behangerwijnand
re: De behangercoolbur...
re: De behangerDiddy
re: Een blij...Diddy
re: Een blij...coolbur...
re: Een blij...Henk Gruys
re: vruchteloosDiotheC...
re: Zalig ke...Hanny v...
re: Kerst An...Hanny v...
re: Zalig ke...DiotheC...
re: warme ke...thomas ...
re: vruchteloosHanny v...
re: Een blij...Diddy
re: Een blij...Diddy
re: Een blij...coolbur...
 Meer reacties

  Laatste 25 gedichten
 
Witgepoederd milou
me too (Droo...Erik Le...
Blind getrou...Claudel...
uilegDiotheC...
Poes AlmachtigDiddy
De behangerHanny v...
Zalig kerstb...coolbur...
Een blijde b...coolbur...
luiken dichtDiddy
DroomdichtMarcel
Eerste sneeuwmilou
loeneErik Le...
De vermoorde...Claudel...
vruchteloosDiotheC...
over de volg...Erik Le...
Tussen mensencoolbur...
In bewerkingDiddy
Kijk niet zocoolbur...
geluktDiddy
ROMEErik Le...
Le Clo-cloch...Claudel...
koortsDiddy
profetieDiddy
Zonnige tochtDiddy
Kerst Anno NuHanny v...
 Meer gedichten
The Globe en de Voorslag - (slot)
 Henk Gruys - 09:16 22-01-2015 Stuur e-mail  Profiel bekijken van Henk Gruys  Bekijk statistieken van dit gedicht 

The Globe en de Voorslag - (slot)


Ook tijdens die winter verzaakten we het schillen ophalen niet. Lag er sneeuw dan trokken we er eenvoudig met de slee op uit. Ik hield van de winter met zijn sneeuw en strenge vorst, schaatsen en de gezelligheid rond de brandende kachel, maar die belofte scheen dit jaar niet helemaal ingelost te worden. Het was slechts een kale koude oorlogswinter, het eten raakte steeds meer op, onze kleren al te vaak versteld, hoewel gelukkig nog warm genoeg. – Soms waren de aardappels hard bevroren als we kwamen, en berijpt als kerstballen doordat ze buiten in een emmer stonden. Omdat men binnen bewaren te vies had gevonden.


                        Brand

Op een zonnige maandag begin januari, – een uur of negen 's morgens, we hadden nog kerstvakantie, – hoorden we roepen dat er brand was. Kees en ik zouden net onze schillenronde beginnen, (en ons daarna bezighouden met het wegkruien van de sneeuw van het erf van Kees, wat mij een even nuttige als aangename bezigheid leek).
    Mijn vader was bij de vrijwillige brandweer, dus was ik van iedere brandmelding automatisch op de hoogte.
    Was er zo'n alarm dan leek er altijd iets vreemds in de atmosfeer te komen, bijna zichtbaar als damp, van onheil en opwinding. Van het schillen ophalen kwam die ochtend niets terecht, want we konden een brand natuurlijk niet aan ons voorbij laten gaan! Kees en ik holden naar de Eemstraat. Waar was het? Hele groepen fietsers en voetgangers haastten zich de noordkant op; de sensatie golfde door de lucht. – "Het is de Voorslag!!" hoorden we op de hoek roepen.
    "De Voorslag" was een instelling die men in latere jaren een "sociale werkplaats" zou noemen; het domein van de "achterlijken", zoals die toen nog heetten. De Voorslag was een groot, groen geverfd schuurhuis, – een voormalig deel van een school, en stond schuin achter de Nederlands Hervormde kerk. De "achterlijken" hielden zich daar dagelijks bezig met het vervaardigen van eenvoudige constructiewerkjes, houten speelgoed, wasknijpers en zomeer.
    Wij zagen van afstand reeds de felle rosse gloed achter de hulsttakken van de begraafplaats. Dat "De Voorslag" geheel van hout was opgetrokken, was te merken aan de felheid waarmee hij brandde. Het vuur veroorzaakte een vreeswekkend rumoer, gekraak, geloei en geknal daarbinnen; het was me nooit opgevallen dat een brand zoveel lawaai maakte. De hoge grijze kerktoren werd door opstijgende rookwolken bijkans aan het oog onttrokken. Wind was er weinig – toch kon je de brand waar we stonden niet ruiken.
    Druk en zenuwachtig liepen de brandweerlui in hun duffelse jassen heen en weer, vooralsnog zonder dat er een druppel water aan te pas kwam. Brandweerlieden krijgen na het alarm iets speciaals, aparts, onbereikbaars, waardoor ze een beetje andere mannen worden; dat had ik ook altijd aan mijn vader kunnen merken. Ik probeerde hem te ontdekken bij de brand, maar het was niet eenvoudig hem tussen al die helmen en zwarte uniformen, die daar schijnbaar zinloos door elkaar liepen, te onderscheiden. We zagen overal brandslangen en grote, rode auto's die schots en scheef geparkeerd stonden in de Eemstraat.
    Temidden van dorpsgenoten, die ik soms kende, soms niet, keken we toe hoe grote plankenwanden de een na de ander wegteerden in het razende vuur, waarna het gloeiende balkengeraamte zichtbaar werd. Af en toe stortte er iets omlaag, als onderdeel van het ontluisterend geheel, en dan vlogen de rookwolken nog sneller omhoog. De sneeuw smolt van de bomen.
    "Stomme achterlijken, hè vader," hoorde ik Piet Groot flemen tegen zijn vader, die ook bij de brandweer was en wat dichterbij ons stond. Ik schaamde me omdat mij thuis altijd werd voorgehouden dat je zo niet over deze mensen mocht praten. – Later hoorde ik dat de oorzaak in een 's nachts te fel brandende kachel moest worden gezocht.
    De brandweer richtte zijn waterstralen naar behoren, maar deed de vuurgloed niet zichtbaar verminderen. Toen tenslotte het dak onder gekraak en gekerm in de brandende chaos neer donderde en de vonkende vuurgloed nog eenmaal ongekend fel oplaaide, raakte iedereen om ons heen begeesterd door deze fantastische apotheose.
    Maar de aardigheid was er daarna gauw af. – Van "De Voorslag" resteerde nog wat scheve zwarte staketsels in plassen grauw water, een berg afval met kleine vlammetjes, waaruit wat dunne grijze rook opsteeg die traag tussen de suikerbepoederde bomen van het kerkhof trok. Het eentonige gedreun van de motorpompen was onverminderd, maar de meeste toeschouwers maakten rechtsomkeert of hadden dat eerder al gedaan.
    Het was bij twaalf op de kerkklok en we haastten ons naar huis om niet te laat te komen voor het middageten.
    Kees en ik bekommerden ons niet meer om de schillen, al moest ik er nog wel een paar keer aan denken. De sneeuwlaag in de Eemstraat was door het verkeer en de gemeentelijke sneeuwschuivers tot een glinsterende rijvloer aangeplet; het was nog steeds pittig vriesweer, ondanks de lage heldere tegenzon die de ogen verblindde. Glijdend over de vaste witte laag gingen we naar thuis, waar ik aan de etenstafel alles wat ik gezien had enthousiast aan mijn moeder ging vertellen.
    Mijn vader was er niet; de brandweer was nog uren bezig met de overgebleven, geblakerde hopen uit elkaar te halen.

's Middags had ik opeens geen zin meer om te spelen. Ik stond op ons achtererf en keek om me heen. Zo van het ene moment op het andere voelde ik me verveeld en moe. De witte sneeuwlaag scheen zijn vrolijke uitnodiging voor slee en sneeuwballen te hebben verloren, de sneeuwpoppen leken alle gemaakt en de winterse ijskoek in de straten werd al onbehoorlijk vuil en slapgereden door het verkeer.
    Kees was er die middag ook al niet. En ik voelde het alweer opkomen, de sluimerende zwaarmoedigheid die altijd op de loer lag om zich te manifesteren zodra de gelegenheid zich voordeed.
    Ik moest die middag trouwens met mijn moeder mee, naar grootmoeder. Die woonde zo ongeveer aan het andere eind van het dorp. Zulke bezoeken brachten we regelmatig en ik diende mijn moeder altijd te vergezellen, hoewel het thans nog geen week geleden was dat we grootmoeder nieuwjaar hadden gewenst. En ook al zei ik er geen zin in te hebben, mijn moeder achtte het eenvoudig een plicht en goede gewoonte om geregeld te gaan, waarbij het nu eenmaal hoorde dat ik mee ging.
    We liepen om kwart over twee door de Hoofdstraat, – in de richting tegengesteld als naar de postzegelwinkel. Het was vrieskoud; de zon scheen laag en winters in de straat en de vorst prikte op mijn voorhoofd en wangen. Het zou, bedacht ik, ondanks de onbewolkte hemel weer vroeg donker zijn. Ik dacht nog even aan de schillen die nu tot morgen moesten wachten, wat me op de een of andere wijze een vreemd gevoel van spijt gaf.
    We hoefden gelukkig niet langs de rampplaats van de brand, maar de positie van De Voorslag liet zich gemakkelijk raden: dáár ergens achter bomen en de kerk; ik moest er aan denken of ik wilde of niet. De zwakke wind was oostelijk, zodat er niets van de as en de verkoling was te ruiken, ofschoon ik wel probeerde daar iets van op te vangen.
    – We liepen langs de kerk. Met geloof hadden wij thuis niets, kerken waren voor mij niet meer dan bijzondere bouwwerken uit de vorige eeuw, met een nauw straatje ernaartoe, een kerkhof erachter en een hellend klinkerplein aan de kant, waar je met de slee vanaf kon suizen.
    Het kerkstraatje passeerden we, en de besneeuwde ruime voortuin waaraan een bloemist woonde; daar weer voorbij was de school met het plein achter een laag hekwerk; nu een verlaten vlakte waarop jongens zeer grote en vuile ballen van sneeuw hadden voortgerold. Het deed me eraan denken dat de kerstvakantie weer bijna afgelopen was; hetgeen me met melancholie vervulde.
    Er moest de laatste twee jaar iets helemaal verkeerd zijn gegaan met mij, nu het niet meer mogelijk leek geluk te ontlenen aan het naar grootmoeder gaan. Ik vroeg me af waar de tijd was gebleven dat het bijna betoverend was haar te bezoeken, speciaal met sinterklaas. Dikwijls overdacht ik zulke eigenaardigheid onder steeds andere omstandigheden, maar kwam nooit tot een antwoord. Toch moest, op de een of andere wijze dat oude droomachtige gevoel weer kunnen terugkeren, meende ik soms.
    Mijn grootmoeder woonde in een liggend houten huis, vrijstaand, en gelegen aan een grote, thans besneeuwde tuin. Huis en tuin bereikte men door een smal steegje tussen hoge panden in de Hoofdstraat in te gaan. Die tuin maakte deel uit van een soort binnenplaatsje met enige kleinere tuinen, waarlangs ook nog een rijtje van zes kleine stenen woningen stond. Daar waren zelfs regenbakken met een emmertje aan een touw.
    – Mijn oude grootmoeder die ik nooit anders heb gezien dan op trijpen pantoffels, een bijna zwarte jurk aan tot op de grond, haar haar in een grijs knoetje gedraaid en tandeloos, kwam altijd opgewekt en ietwat schommelend in haar achterkamer ons tegemoet.
    In haar huisje waren nog bedsteden te vinden en een affreus stinkende plee binnenshuis, die ik als ik bij grootmoeder was overal dacht te ruiken. Een van haar zoons, iets ouder dan mijn moeder, een goedlachse man met kale ronde schedel – ome Ko – was ongetrouwd en woonde nog thuis; hij was broodbezorger en meestal overdag niet aanwezig.

Alreeds bij grootmoeder begonnen de gedachten over de brand mij in zijn greep te krijgen. Ik wist zeker dat de benauwenis van de Voorslag nu steeds sterker zou worden en ook steeds bedreigender naarmate de middag verliep. Dat de allesoverheersende ontmoediging, die ik zo goed kende, weer als een klamme deken langzaam over mij heen zou worden getrokken.
    Daardoor kon ik ervan verzekerd zijn de komende nacht slecht te slapen. Ik wist al dat ik de eerste uren wakker zou blijven, en telkens de ogen open zou doen om te zien of er nog geen vuur op onze overloop was waar te nemen, geen rook, geen flakkerend schijnsel, niet het flauwste geknisper van vlammen te horen was.

Ik probéérde die avond in bed wel aan iets prettigs te denken, en mijn gedachten te veranderen, te fantaseren over het nieuwe postzegelalbum, over het schaatsen als het bleef vriezen, maar daarvoor was de suggestie van het gevaar veel te groot; ik moest steeds aan de Voorslag denken; ik kon er niets tegen doen, ik moest blijven waken in de duisternis, tot aan het moment dat mijn ouders de trap op zouden komen om naar de slaapkamer te gaan.
    Dat zou voorlopig nog niet gebeuren wist ik, ik hoorde ze praten beneden.
    Daarom dwong ik mezelf ertoe nog lang wakker te blijven.
    Opdat ik niet door het vuur verrast zou worden als er straks op onze eigen zolder brand zou uitbreken.

Reactie insturen
Graag eerst...

Inloggen of Registreren

De gedichten die ingezonden zijn op de website van de lettertempel en e.v.t. toekomst projecten die gekoppeld zijn aan de lettertempel blijven ten alle tijden eigendom van de feitelijke auteur van het gedicht. Zonder toestemming van de feitelijk auteur mogen de gedichten niet gebruikt worden voor andere doeleinden dan lezen op deze site en indien hier toestemming voor gegeven is door de feitelijke auteur het uitgeven van de gedichten door lettertempel zelf. Mocht er sprake zijn van misbruik van de content en de gedichten die gepubliceerd zijn op deze site door wat dan ook dan zullen er hoe dan ook (in samenspraak met de auteur) stappen worden ondernomen.
2006-2017 © Bizway - BTW nr. NL821748014.B01 - KvK 28086287